Afwijzing voorlopige voorziening versterkt mondiale epr-trend voor textiel
Een rechter in Californië heeft op 6 augustus 2026 het verzoek van de Amerikaanse modebranche om het textiel-EPR-programma stil te leggen voorlopig afgewezen. Daarmee kan het programma vooralsnog doorgang vinden, een signaal dat producentenverantwoordelijkheid voor textiel wereldwijd steeds minder vrijblijvend wordt.
De Superior Court in Sacramento oordeelde dat de American Apparel & Footwear Association (AAFA) niet aan de zware toets voldeed voor een ingrijpende voorlopige maatregel. De rechter zag geen bewijs van onherstelbare schade en noemde de gestelde financiële risico’s speculatief.
Voor Nederlandse textielrecyclers is de zaak vooral relevant omdat zij bevestigt dat EPR voor textiel juridisch en operationeel steeds sterker wordt afgedwongen. Waar de mode-industrie in Californië probeerde tijd te winnen, wordt in Europa juist tempo gemaakt: textiel-EPR is al verankerd in de herziene Waste Framework Directive, met implementatie uiterlijk april 2028.
Daarnaast is sinds 19 juli 2026 het EU-verbod van kracht voor grote ondernemingen om onverkochte kleding en schoenen te vernietigen, aldus Eurofins. Die combinatie dwingt merken en retailers om overschotten in hergebruik-, doorverkoop- of recyclingsketens te brengen.
Voor inzamelaars, sorteerders en recyclers betekent dit meer zekerheid voor investeringen in capaciteit en technologie. De vraag naar geautomatiseerde sortering, vezelidentificatie en hoogwaardige vezel-tot-vezel recycling zal stijgen. Ook gemeenten moeten zich voorbereiden op strengere eisen aan scheiding, traceerbaarheid en verwerkingskwaliteit.
De Californische uitspraak is nog voorlopig, maar de trend is helder: textiel-EPR wordt overal concreter. Nederlandse marktpartijen doen er goed aan hun inzamel-, sorteer- en dataketen nu al voor te bereiden op de strengere Europese regelgeving die in 2027 en 2028 van kracht wordt.



